Door de ogen van Mo (19): verslaafd aan lachgas
Dit is een true story. Namen, plaatsen en details zijn aangepast zodat 'Mo' anoniem blijft.
In ‘Door de ogen van…’ lees je verhalen van jongeren die (even) vastliepen. Van problemen thuis, struggles met seksualiteit, met school tot verslaving en criminaliteit: hun verhalen kunnen over van alles gaan.
In deze blog vertelt Mo hoe hij verslaafd raakte aan lachgas.
Mijn telefoon trilt.
Waar blijf je broer?
We zijn al op de parkeerplaats.
We hebben gehaald.
Ik glimlach als ik het lees en gooi mijn gereedschap in de kast. Mijn handen zijn zwart van de olie en ik heb kleine sneetjes op mijn knokkels van het sleutelen. Mijn rug doet pijn van een hele dag werken in de garage. Maar zodra ik in mijn Golf stap, maakt mij dat niks meer uit.
Beeld: AI gegenereerd
Nog ééntje dan
Tien minuten later draai ik de parkeerplaats op achter winkelcentrum Overvecht. De boys staan er al. Auto’s naast elkaar, deuren open en Kendrick Lamar uit de speakers. Sami zit op de motorkap op zijn telefoon, terwijl Ryan ballonnen vult. “Eyy Mo, eindelijk broer.” Hij drukt meteen een ballon in mijn hand. “Je hebt gewerkt vandaag, je hebt dit verdiend.” Ik zet de ballon aan mijn lippen en adem diep in. Dat warme gevoel trekt door mijn lichaam. Mijn schouders ontspannen en alles begint te tintelen. Het geluid van langsrijdende auto’s verandert langzaam in een lage brom die door mijn hoofd blijft draaien. Iemand begint te lachen en de muziek klinkt ineens dieper, verder weg ook. Het lekkere gevoel verdwijnt bijna meteen. Nog ééntje dan.
Probeer gewoon eentje/Het begin
Een paar maanden eerder doe ik nog bijna nooit mee. De boys gebruiken wel vaker lachgas, maar ik kijk vooral toe. Tot iemand op een avond zegt: “Probeer gewoon eentje.” Dus dat doe ik. Daarna hoort het er gewoon bij. Na werk nog even hangen, ballonnetje erbij, muziek aan. We praten over werk, geld, auto’s en alles wat we later willen. Iedereen werkt hard en is moe aan het einde van de dag. Dit voelt als ons moment.
Wie regelt vandaag?
Ik maak lange dagen in de garage en spaar voor een zwarte RS3. Ik wil mijn ouders laten zien dat ik goed bezig ben. Ik ben niet de jongen die spijbelt of de hele dag thuiszit. Ik werk, verdien geld en help thuis mee. Alleen kijk ik steeds vaker op de klok vanaf een uur of vier. Wachten tot werk eindelijk klaar is. Wachten op die groepschat. Wie regelt vandaag?
Wat als we tekort komen?
Na een tijdje regelen we niet alleen meer samen flessen, maar gaan we er ook zelf achteraan. In het begin deden we met een paar jongens een hele avond met één tank; later staan er standaard twee in de achterbak. Daarna drie. Zodra er eentje bijna leeg is, kijkt iedereen alweer naar elkaar. “Hoeveel hebben we nog?” “Bijna leeg man.” “Wat als we tekort komen?” Die zin hoor ik steeds vaker. “Bel de dealer dan.” Niemand wil zonder zitten.
Iedere avond zitten we ergens anders: op parkeerplaatsen, langs het water en bij voetbalclubs waar ’s avonds niemand meer komt. Auto’s naast elkaar, muziek aan en ballonnen vullen, terwijl we lachen, gebruiken en uren blijven hangen. Dat is het probleem. Je bent nog maar nét terug in de werkelijkheid en je lichaam wil alweer opnieuw.
Nog eentje. Nog eentje. Nog ééntje...
Geen honger
Mijn moeder vraagt waarom ik de laatste tijd bijna niks eet. Ik haal mijn schouders op terwijl ik in mijn eten prik. “Geen honger”, mompel ik terwijl ik mijn bord wegschuif. Mijn vader kijkt me soms net iets te lang aan. Alsof hij voelt dat er iets niet klopt. Ik begin dingen te verbergen. Voordat ik thuiskom, check ik standaard mijn auto op vergeten lege tanks en ballonnen. “Werk was druk,” zeg ik bijna automatisch als mijn vader vraagt waarom ik moe ben. Daarna loop ik snel door naar boven.
Mijn fles is m'n knuffel
Mijn ouders denken dat ik slaap. Beneden hoor ik nog zacht de televisie. Ik wacht tot het stil wordt in huis, daarna draai ik mijn slaapkamerdeur op slot. De tank staat al naast mijn bed. Ik heb er een silencer op gezet, zodat niemand hoort wat ik hierboven doe. Mijn telefoon ligt op mijn borst terwijl muziek zacht door mijn oortjes speelt. Alleen het blauwe licht van mijn scherm verlicht mijn kamer. Ik vul een ballon, zet hem aan mijn lippen en adem diep in en uit. In… uit. Meteen voel ik die rust weer. Alsof iemand alle spanning uit mijn hoofd trekt.
De muziek klinkt dof en zwaar, alsof ik onder water lig. Mijn lichaam voelt warm, mijn hoofd licht en mijn lichaam zwaar. Alles om me heen vertraagt. Het duurt misschien een minuut, daarna zakt het weer weg. Veel te snel voel ik de onrust terugkomen, dus pak ik automatisch de volgende ballon. Mijn telefoon glijdt uit mijn hand en naast de tank tegen mijn matras aan. Ik draai mijn hoofd opzij en kijk ernaar. Daarna vul ik weer een ballon. Beneden slapen mijn ouders, terwijl ik boven in het donker lig met een lachgasfles alsof het een knuffel is. Ik vul nog een ballon. En nog één. De tank naast mijn bed is leeg en mijn eerste gedachte is: Hoe kom ik aan een nieuwe?
Beeld: AI gegenereerd
Bro, gaat het?
Ik eet bijna niet meer, sport nauwelijks en meld me vaker ziek op werk, omdat mijn lichaam moe aanvoelt. Mijn armen beginnen te tintelen tijdens het sleutelen aan de derde auto van vandaag. Als ik probeer om een bout vast te draaien, valt alles uit mijn handen. Waarom zijn ze zo aan het trillen? “Bro, gaat het?” vraagt een collega. “Ja man, gewoon moe.” Meer zeg ik niet, want zodra ik uit werk kom, denk ik alweer aan vanavond.
Mijn vader staat naast mijn auto
Ik sta in mijn eentje op een parkeerplaats als er hard op mijn autoraam wordt geklopt. Ik schrik en draai mijn hoofd. Alles is nog wat wazig en vertraagd. Is dat mijn vader? “Mo. Stap uit.” Zijn stem klinkt dof, ver weg. Ik kijk naar hem, daarna naar de tank naast me. Nog eentje, dat is het enige waar ik aan denk. Mijn vader trekt aan de deurklink, maar ik start de auto. “Stop. Mo, doe normaal!”, roept hij. Ik wil alleen maar weg. Weg van hem, weg van het gesprek.
Je lag in coma
Ik word wakker in een ziekenhuisbed en het eerste wat ik voel is paniek. Mijn arm tintelt heel erg. Wanneer ik mijn telefoon probeer op te pakken, doen mijn vingers niet mee. Naast me zit mijn moeder met rode ogen. “Mo...” zegt ze zacht. We dachten dat we je kwijt waren. Je lag in coma.” Ik kijk naar het plafond en probeer terug te halen wat er precies gebeurd is, maar mijn hoofd voelt leeg. Alsof iemand stukken uit mijn geheugen heeft geknipt. De arts die de kamer binnenkomt, legt uit dat lachgas je zenuwen kan beschadigen en dat het gevaarlijk is dat mijn armen zo aanvoelen. Ik hoor haar wel, en ik weet ook heus wel dat het niet goed is. Maar terwijl mijn moeder naast mijn bed zit te huilen, denk ik alleen aan de volgende ballon.
Je hoeft niet alles alleen te dragen
Uiteindelijk kom ik in contact met Mustapha, een jongerenwerker. In het begin verwacht ik iemand die alleen gaat zeggen dat ik moet stoppen, maar Mustapha doet iets anders: hij luistert. Niet alleen naar het gebruik, maar ook naar mij. We praten over werk, thuis, geld en sport. Over waarom ik steeds opnieuw naar lachgas grijp. Soms zitten we uren in het buurthuis. Andere keren zitten we zwijgend in mijn auto, terwijl hij me een koud AA’tje aangeeft, omdat ik die altijd haal na werk. “Je hoeft niet alles alleen te dragen, Mo. Laat mij helpen”, zegt hij als ik het drankje aanneem.
Soms appt Mustapha mij midden in de nacht: Waar ben je? Of hij neemt me mee naar de sportschool, omdat ik “weer even normaal moet leven”. Hij helpt me een overzicht maken van mijn schulden. Soms gaat hij zelfs mee sporten zodat ik weer ritme krijg. Hij blijft contact houden, ook wanneer ik terugval. Hij draait nergens omheen. “Zo ga je jezelf kapotmaken, broer.” En diep vanbinnen weet ik dat hij gelijk heeft.
Beeld: Individueel begeleider Mustapha
Tom begrijpt precies wat ik voel
Via Mustapha ontmoet ik Tom met bijna hetzelfde verhaal als ik. Ook hij gebruikt lachgas, maar dan in hotelkamers. Flessen bestellen, liegen tegen ouders, geldproblemen. We blijken zelfs dezelfde dealer te hebben. Voor het eerst voel ik me niet alleen in wat ik meemaak. We praten uren samen. Over die drang naar meer zodra het effect wegtrekt. Over hoe snel één ballon er tien worden. “Ik sliep met die tank naast me alsof het een knuffel was,” zeg ik een keer tegen hem. Tom knikt alleen. Hij begrijpt precies wat ik voel.
Ik ben eerlijk: ik ben verslaafd.
Langzaam begin ik eerlijker te worden. Niet alleen tegen Mustapha, maar ook tegen mezelf. Tom en ik gaan samen langs buurthuizen om ons verhaal te delen. We staan voor groepen jongeren die ongeveer zo oud zijn als wij waren toen we begonnen. Als ik vertel over wakker worden in het ziekenhuis, is het helemaal stil. Een jongen achterin staat op en loopt weg. Ik kijk hem aan en zie mezelf van een paar jaar geleden. Moe van werk, willen chillen met vrienden, denken dat het allemaal wel meevalt.
Na ongeveer een jaar
Zo lang heeft het geduurd voordat ik me weer een beetje ‘normaal’ voelde. Het gaat beter met me. Ik werk weer, sport vaker en ben meer thuis. Op feestjes is de verleiding dichtbij, maar ik praat er nu eerlijk over. Thuis ook. Ik ben er nog niet helemaal, maar ik heb weer doelen om naartoe te werken. Ik dacht altijd dat verslaving eruitzag als iemand die alles kwijt is. Niet als een jongen die na werk gewoon met zijn vrienden wilde chillen.
Dit verhaal gaat over verslaving.
Of jij nu grote of kleinere zorgen op je bord hebt liggen om op te lossen: onze individueel begeleiders zijn er voor jou. Gesprekken zijn altijd vertrouwelijk.