Afgelopen weekend waren mijn vriend en ik in het centrum en gingen in de shopping een coupeke ijscrème eten. Altijd hetzelfde zaakje (zeer veel keuze daar), rechts van de ingang. De vriendelijke dame komt de kaart brengen en ik laat mijn ogen door de zaak dwalen. Een paar tafeltjes verder, dwalen mij ogen maar, maar ze laten mijn hart koud worden.
Mijn 'vader' zat daar, met zijn nieuwe vrouw en zijn twee nieuwe kinderen. Onze ogen blokkeerden op elkaar; hij wende zijn blik af.
'Vader' heeft ons gezin (mama, broer en mij) nu ongeveer tien jaar geleden gewelddadig verlaten. Dat gewelddadig moogt ge letterlijk nemen. Mama zeer veel slaag gehad, broer ook omdat hij mama verdedigde; en ik zat onder de tafel te huilen, ik durfde niks. Toen was ik tien of elf jaar.
Maar swat.
Mama heeft hem achter onze rug door toch nog altijd op de hoogte gehouden van hoe broer en ik het deden. Op school, op de zwemvereniging, met ons leven. Hij heeft ons een paar keer na school opgewacht, maar wij hadden zo een schrik van hem dat hij het niet meer mocht (moest sowieso op gerechtelijk bevel bij ons uit de buurt blijven).
Wij moesten niks meer van hem hebben: de vrouw waar hij ons mee verraden had, is hij mee getrouwd. En hij heeft er ondertussen twee kinderen mee.
Broer en ik hebben hem nooit vergeven.
Op broer is hij trots: broer is brandweerman, heeft een leuke vriendin en zelf al twee kindjes nu. Hij heeft broer al bij hem thuis uitgenodigd, maar daar is broer nooit op ingegaan omdat 'Vader' niks van mij moet hebben ...
... Ik ben homo. Ik ben het en kan er niks aan doen. Ik heb er niet voor gekozen, het is geen vrijwillige levensbepaling. Ik was het al voor ik geboren werd, dus misschien komt het wel voor uit 'vader' zijn genen. En toch wilt hij niks, maar dan ook niks met mij te maken hebben. Ik ben vies. Ik ben vuil. Ik ben walgelijk. Of, toch in zijn ogen. En dat kan broer 'vader' ook niet vergeven, dat hij er zo over denkt.
Een paar tafeltjes verder zat hij maar, en duidelijk niet meer op zijn gemak. Ik kon niet anders als maar naar hem blijven kijken. Maar hij gaf geen krimp meer mijn richting uit. Geen 'halo'. Geen knikje. Niet even wuiven. Niet even een 'Senne', als bevestiging. Hij heeft die naam per slot van rekening gekozen. Helemaal niks.
Ik wist zelf ook niet wat ik moest doen, om eerlijk te zijn. Maar gewoon al het feit dat ik bleef kijken, hopend op een signaal; ergens een beetje als bevestiging dat ik in zijn ogen mag bestaan.
Moest hij toch terug opgekeken hebben, zou ik dan even gewuifd hebben? Dat weet ik niet, dat is een beslissing van het moment zelf. Maar ik gaf het tenminste nog een kans, hij niet!
Hij rekende voor zijn tafeltje af en begeleide zijn gezinnetje, door de andere gang tussen de tafeltjes, nar buiten. Hij heeft niet meer in mijn richting gekeken. Zelfs niet omgekeken toen ze de hoek om zouden gaan, waarmee ze uit het oog zouden zijn.
Ik ben vies. Ik ben vuil. Ik ben walgelijk. Of, toch in zijn ogen. Dat drukte hij er met zijn gedrag in het ijscrème zaakje goed bij mij in.
De rest van de dag was ik redelijk in de war en heb broer gebeld om te zeggen wat er gebeurd is. Ik was aan het huilen en weet eigenlijk niet waarom. Ik moet toch ook niks meer van hem hebben? Waarom is zijn mening dan zo belangrijk voor mij?
Er is nu mijn vriend. Er is mama. Er is broer met zijn vriendin en dochtertje en zoontje. Dat moet voldoende zijn.
Mijn 'vader' heeft daar geen plaats meer in. En toch blijft hij mijn hart pijn doen.
Gek hé?
Groetjes,
S.