Probeer hetzelfde woord in de verleden tijd:
- ik fietste ---> gefietst = met "t"
- ik speelde ---> gespeeld = met "d"
Als ik mij goed herinner is de regel: als de stam eindigt met een letter uit het woord "fokschip" of "kofschip", dan is het voltooid deelwoord met een "t", anders met een "d". Maar check het toch maar even...
In de tegenwoordige tijd is het met "t" erachter bij de 2e en 3e persoon: hij loopt, hij speelt, hij wordt (dus "dt", want de "d" stond er al).
Tip: koop een SIMPEL grammatica zakboekje, vb. "paspoort voor de grammatica" (of zoiets, ik heb het niet hier): daar vind je de regels eenvoudig uitgelegd. Geen dik duur boek, dat is zo ingewikkeld dat het moeilijker wordt inplaats van helder.
Het is goed dat je probeert je spelling en grammatica correct te doen: immers, taal dient om te kunnen communiceren met andere mensen. Als je teveel taalfouten maakt, dan komt je boodschap minder goed over, en word je minder goed begrepen. Hoe beter je taal, hoe beter je contact met andere mensen, en hoe minder misbegrippen.