Ik ken het Nederlandse systeem niet, dus over wel of niet overschakelen, spreek ik mij niet uit.
Probeer je inzicht te verhogen in je slechte vakken. Het komt er op neer dat je enkele basisprincipes van het vak niet begrijpt. Dat kunnen basiswoorden zijn, basisconcepten, symbolen,... Het is niet het hele vak dat je niet begrijpt, nee, het zijn aparte, kleine, losse dingen. Waarop de rest gebouwd is. Dus vraag je af: in dit vak [vaknaam], welk woord of symbool begrijp ik niet? Of beter nog, laat iemand anders die vraag aan jou stellen.
Zoek de betekenis dan op, of laat ze je uitleggen, tot je een echt heel goed begrip hebt van dat ding, dat woord, dat symbool, of dat principe.
Van iedere vakterm, ieder symbool, moet je je afvragen: wat is de definitie en betekenis van dit [symbool, woord,...]? Als je niet direct de juiste betekenis weet, moet je het opzoeken. Ook als je twijfelt of te lang moet nadenken.
Zoek de betekenis van het woord op, maak er actief zinnen mee, schets op papier de betekenis ervan (voorwerpen, richtingen, posities, al dat soort dingen kan je schetsen), zoek op van welke latijnse of griekse of andere woorden die term afkomstig is.
Ik heb dat ook gedaan voor een aantal vakken. Dat is veel werk, lastig en ergerlijk. Soms zit je te sakkeren en te vloeken. Soms heb je zin om er de brui aan te geven. Soms zit je te geeuwen of suffen. Ik weet het, ik ben daar ook allemaal door gemoeten.
Maar eens je het begrijpt, krijg je een verhelderend gevoel, een aha-effect. Er gaat je een licht op. En je ziet meer en meer de samenhang van het vak, hoe alles werkt.
Je moet niet klakkeloos van buiten leren, maar echt "zien" hoe alles aan elkaar hangt. Net zoals je bij sport ook niet alles van buiten leert, maar je "ziet" het spel, je leest het spel. Dat moet je ook krijgen bij vakken zoals chemie, fysica, elektriciteit en elektronica, enz...
Er zijn natuurlijk dingen die je van buiten moet kennen: fysica formules zoals de wet van Ohm voor elektrische weerstand, symbolen van chemische elementen en formules, namen van lichaamsdelen, en al dat soort dingen. Maar je moet ze pas van buiten leren nadat je die verbanden erin ziet.
Bijvoorbeeld bij elektrische stroom (ik hoop dat je dat al geleerd hebt):
- Elektrische stroom zijn elektronen die doorheen metaal of een andere geleider vloeien. De atoomkernen blijven vast zitten, maar de elektronen glijden van het ene naar het andere atoom. Elektronen zijn elektrisch negatief geladen, dus die lading verplaatst zich door de geleider.
- Spanning = dat is hoe groot de druk is op die elektronen, met welke kracht ze vooruit geduwd worden. Symbool: U. Eenheid: Volt, V.
- Stroom = het debiet aan elektronen dat door een geleider vloeit, dus de totale hoeveelheid. Symbool: I. Eenheid Ampere, A.
- Elektrische weerstand = hoeveel hinder de stroom ondervindt als hij door een geleider of halfgeleider stroomt. Hoe meer hinder, hoe hoger de weerstand. Symbool: R; eenheid Ohm (hoefijzersymbool).
De formule voor weerstand is: R = U/I
In andere vorm geschreven: U = R*I, of: I = U/R
Eens je dat echt ziet, weet je die formule eigenlijk vanzelf: hoe groter de druk achter de elektronen (=spanning U), hoe groter het debiet zal zijn (stroom I) bij eenzelfde weerstand. Of ook: hoe groter de hindernis, dus hoe groter de weerstand, hoe kleiner de stroom zal zijn die er doorheen kan.
Zo moet je alle verbanden en concepten echt zien en begrijpen.